Voorlezen doe je voor je plezier. Én voor het plezier en de ontwikkeling van je kind. Want we weten allemaal dat voorlezen tal van positieve effecten heeft, waaronder het verbeteren van de taalvaardigheid, het stimuleren van de fantasie en het versterken van de ouder-kindrelatie. Kevin Hassing, acteur, regisseur en vooral een van Nederlands populairste kinderboekenschrijvers, geeft workshops Voorlezen. MelVertel was bij zo’n voorleesworkshop op 31 januari in de Bibliotheek Utrecht aan het Neude.
Aan de slag
Een workshop van Kevin Hassing is geen passieve luistersessie. De schrijver maakt direct duidelijk dat hij interactie en actie verwacht van zijn publiek, dat bestaat uit leraren, leesconsulenten, vaders, moeders en grootouders. Na een kleine opwarming door middel van een quiz, vraagt Kevin of er een vrijwilliger naar voren wil stappen om een stukje voor te lezen. Zelf geeft hij om de zoveel minuten regieaanwijzingen, waardoor het publiek heel duidelijk het verschil ‘voor’ en ‘na’ te horen krijgt.
10 tips om nog beter voor te lezen
Dit zijn de tien belangrijkste tips om van voorlezen een nog groter feest te maken. Met toestemming van Kevin, die met zijn vrolijke, enthousiasmerende en down-to-earth benadering iedereen voor zich wist te winnen – en ons waardevolle ideeën gaf om alle kinderen de liefde voor verhalen bij te brengen.
Tip 1 – Sta (stil) en maak oogcontact
Lees waar mogelijk staand voor, zodat je met alle kinderen oogcontact kunt maken (als je een bedverhaaltje voorleest, hoeft dit natuurlijk niet). Ga niet lopen, want dat leidt maar af. Doe daarom ook je digibord uit.
Tip 2 – Schilder liever met je stem dan met je handen
Doe niet te veel met je handen, ook dat leidt af. Gebruik je stem en je mimiek. Als het echt bijdraagt aan het gevoel dat samenhangt met hoofd, hart, buik, dan kun je die natuurlijk best vast pakken. Laat pauzes vallen zodat die emoties kunnen inwerken bij de kinderen. Door te vertragen en te versnellen, naar boven te kijken en naar opzij en door je toon te veranderen (zie onder) schilder je de beelden als het ware voor je publiek.
Tip 3 – VERTRAAG
Deze staat in hoofdletters en niet voor niets. Voorlezers praten vaak te snel. Het is dan moeilijk voor de toehoorders om het verhaal goed te volgen. Wanneer je leest zien je ogen de tekst en kijk je al vooruit naar wat er komen gaat. Wie luistert ziet de tekst niet en neemt het verhaal tot zich via de verteller. Dat heeft verwerkingstijd nodig. Vertraag, spreek langzaam. Wat voor jou te langzaam klinkt, klinkt heel prettig voor de kinderen. En natuurlijk articuleer je duidelijk.

Tip 4 – Bekijk de voorcover samen, maar lees nog niet de achterflaptekst voor
Schrijvers moeten vaak al veel weggeven op de achterzijde van hun boek vanwege allerlei ‘marketingtechnische’ redenen. Leuker is het om onbevooroordeeld aan een boek te beginnen. De cover samen bespreken kan wél. Het stimuleert de creativiteit en zet het ‘leesbrein’ aan.
Tip 5 – Is er een landkaart? Projecteer deze op het bord
Het digibord mag aan als er een landkaart voor in het boek zit, bijvoorbeeld op het schutblad. Die is vaak enorm behulpzaam bij het volgen van het verhaal. Scan ‘m in, projecteer hem op het digibord en bespreek de locaties met de klas.
Tip 6 – Leg de klemtoon op het laatste woord in de zin
Werk altijd naar het einde van de zin toe. In het Nederlands staat daar vaak de belangrijkste informatie. Bovendien zorgt het ervoor dat je tot aan het einde van de zin verstaanbaar blijft. Extra tip: ook komma’s kun je als punten lezen, dus met de stem naar beneden. Door de kortere ‘boogjes’ nemen de spanning zienderogen toe!
Tip 7 – Benadruk nieuwe namen of belangrijke woorden
Zorg dat je nieuw geïntroduceerde personen, plaatsen of belangrijke woorden goed beklemtoont. Ze bevatten nieuwe informatie en zijn vaak essentieel om het verhaal goed te kunnen volgen. In het verhaal zijn door de schrijver ook witregels geplaatst om je een seintje te geven: nu verandert de situatie, dit is nieuw.
Tip 8 – Maak geen geheim van foutjes en stop met een slecht boek
Je kunt alle boeken die je wilt voorlezen eerst zelf lezen, maar dat kost tijd. Je kunt je ook laten verrassen. Dat kan betekenen dat je je wel eens verspreekt, of dat het boek toch niet geschikt blijkt voor je groep. Wees daar open over. Zeg dat je een foutje hebt gemaakt en verbeter jezelf. Als je dat niet doet, bestaat het gevaar dat je lezers het verhaal niet goed kunnen volgen. En stop met een boek dat niet leuk is (of niet geschikt). Er zijn nog zo veel mooie boeken!
Tip 9 – Gebruik verschillende ’tonen’
Laat verschillende personen ‘verschillend’ klinken. Niet door er een theaterstuk van te maken, maar door een jong persoon iets sneller te laten praten, een ouder persoon iets langzamer of iets lager, een leraar cynisch of verveeld te laten klinken en een tante opgetogen, bijvoorbeeld. Maar gebruik ook de ‘verteltoon’ voor algemene beschrijvingen, de ‘geheimtoon’, die bijna fluisterend is, om spanning op te roepen of de ‘verbazingstoon’ – met grote ogen! En er zijn nog veel meer tonen te ontdekken. Speel ermee, maar zorg dat het altijd in dienst staat van het verhaal.
Tip 10 – Bij prentenboeken: neem de tijd
Als er maar één regel tekst op een bladzijde staat en daarna een prent, dan kun je rustig met het boek open naar de klas lezen, zodat iedereen de plaat ziet terwijl je leest. Als er een pagina tekst is en dan een prent, dan lees je eerst voor en laat dan de plaat zien. Neem de tijd en stel vragen: Waar is Ollie? Hoe voelt hij zich denk je?
Nog mooier is om nu wel het digibord te gebruiken en de ingescande platen te laten zien zodat de kinderen kunnen meekijken terwijl je leest.
Veel voorleesplezier en dank je wel, Kevin, voor deze ontzettend leuke middag.
Ook Mel leest voor. Het liefst uit haar eigen boek, natuurlijk ;-)! Kijk hier voor meer informatie.



